Jens Vankeirsbilck

Postdoctoral researcher software engineering

Jens is actief op het EFRO-project ‘Cocreatie in het M&M-centrum‘. Daar werkt hij o.a. aan onderstaande case waar ze automatisch hardwarefouten in geconnecteerde systemen vervangen. 

Mijn expertise bestaat erin om software die bijvoorbeeld in auto’s, medische apparatuur, treinen, frigo’s, koffieapparaten… uitgevoerd wordt betrouwbaarder te maken. Het probleem schuilt zich namelijk in het feit dat dergelijke computersystemen zeer vatbaar zijn voor externe storingen. Denk aan draadloze communicatie die overal energie bombardeert naar die systemen, ook kosmische stralingen, maar even goed extreme temperatuurschommelingen. Al deze factoren kunnen de hardware van die systemen verstoren en die storingen druppelen door naar de software. Dit kan ertoe leiden dat jouw koffieapparaat jou chocomelk voorschotelt, terwijl jij eigenlijk een koffie wou om de dag te starten.

Concreet ga ik dus na welke softwaretechnieken we kunnen toepassen om ervoor te zorgen dat de software niet faalt en dus betrouwbaarder is. Ik onderzoek welke type storingen kunnen voorkomen en wat de reactie van de software is. Vanuit die reactie vertrekken we om oplossingen te creëren.

Een bedrijf kan met meerdere vragen bij ons terecht, maar beginnen doen we bij het begin. We voeren een analyse uit om na te gaan hoe vatbaar software is voor bepaalde storingen. Het is namelijk zo dat niet elke storing voor een malfunctie zal zorgen. Op basis van die analyse doen we een aantal voorstellen van technieken die we kunnen toepassen om software betrouwbaarder te maken.

Een concreet voorbeeld is deze in het operatiekwartier. Tegenwoordig maakt de chirurg gebruik van heel wat schermen waarop hij in detail kan volgen wat hij allemaal aan het doen is. Men maakt ook gebruik van elektrische messen die bepaalde vonken maken waardoor men efficiënter in de patiënt kan snijden. Met dat specifieke mes deed zich een probleem voor. Het scherm die de chirurg begeleidde bij het snijden, bleek niet de correcte realiteit weer te geven tijdens het snijden. Met als gevolg dat in praktijk dieper werd gesneden dan dat het scherm weergaf.

Er werd een ingenieur in het operatiekwartier om het probleem in praktijk te aanschouwen. Wat bleek? De chirurg activeerde het elektrische mes al wanneer hij deze van het bijzettafeltje nam. De weg die hij bijgevolg aflegde van het tafeltje tot de patiënt zorgde ervoor dat er kleine vonkjes in het ronde vlogen. Vonkjes die ook terecht kwamen op het scherm en die voor storingen zorgden.

In principe konden we dit oplossen door een metalen plaat voor het scherm te plaatsen, maar dan kon men het scherm natuurlijk niet meer zien. De gewoonte van die chirurg aan te passen was geen evidentie. Daarom focusten we ons op de technologie. Aan de hand van een aantal technieken zorgden we ervoor dat het scherm zichzelf om x-aantal milliseconden controleerde. Op die manier werd het systeem betrouwbaarder, aangezien het zelf kon aangeven wanneer er storingen waren. En die chirurg? Die zwaait nog steeds rond met zijn scalpel.

Eigenlijk op het behalen van mijn doctoraat begin dit jaar (2020 red.) Niet alleen omdat het een mooie afsluiter was, maar omdat het een mooie samenwerking was met Televic en het kaderde binnen een Baekeland-mandaat. Dat maakte het toch speciaal, want op je moet je case natuurlijk ook verdedigen tegenover VLAIO om jouw mandaat binnen te halen. 

Mijn doctoraat focuste zich niet enkel op het ontwikkelen van nieuwe technieken om storingen te detecteren, maar ook op de ontwikkeling van een tool. Deze tool zorgt ervoor dat een werknemer met IT-achtergrond complexe technieken kan toepassen op een specifiek stuk in het programma. Het is namelijk moeilijk om iemand op te leiden met die specifieke kennis. Daar gaan veel tijd en middelen naartoe. We kunnen dus complexe academische kennis toepassen op de werkvloer.

Mijn onderzoek zelf is behoorlijk achter schermen. Daarom denk ik niet dat het noodzakelijk zo’n grote maatschappelijke impact zal hebben. Het zorgt er “maar” voor dat de software betrouwbaarder is. Als gebruiker of maatschappij zie je niet altijd dat daar iets achter zit. Het is natuurlijk maatschappelijk relevant dat systemen betrouwbaar zijn, maar in feite wordt dit gewoon verwacht van de maatschappij. Als je iets koopt, verwacht je dat het ook effectief goed werkt.

Als vakgebied zie ik dat systemen steeds meer en meer autonoom worden. Hier wordt heel vaak in de richting van artificiële intelligentie gekeken. Ik ben er niet noodzakelijk altijd een voorstander van, om heel eerlijk te zijn. Vaak leunt men te veel op AI en machine learning, terwijl hetzelfde uitgevoerd kan worden met een algoritme. Ik geloof dat dat wat de AI-hype is. Al heb ik wel de indruk dat die hype – om AI bij alles en alles in te zetten – wat gaan liggen is. De trend naar autonome systemen is zeker positief, want het zorgt ervoor dat je machines meer in de gaten kan houden.

Ik vind het heel moeilijk om daarop te antwoorden. Ik heb namelijk niet de indruk dat ik vanuit een inspiratie werk. De aantrekkingskracht naar ICT en programmeren heb ik altijd al gehad. Ik heb daar echter nooit iets mee gedaan tot ik ging studeren. Het is ook niet dat ik opkijk naar iemand, zoals een Elon Musk. Iets in mij wil gewoon zo’n goed mogelijk werk afleveren. Dat is mijn drijfveer.
Translate »

Benieuwd in wat TUA West presteerde in 2020? Bekijk ons jaarverslag.